dinsdag 10 oktober 2017

Herdenking 2016

 Het duo Smits & Vlaar tijdens de herdenking in de Uilenburger sjoel

De herdenking van 2016 speelde zich af in de Uilenburger synagoge. Voor de ruim 100 bezoekers was dat een meevaller, want het regende buiten. Voor (een deel van) Joods Nederland was dit echter een onoverkomelijk probleem. Onze uit 1992 stammende herdenking zou immers helemaal niet over de Kristallnacht gaan en ''anti Israel' of zelfs ''antisemitisch'' zijn, volgens een door bepaalde kringen al jaren herhaald en voor de volle 100 procent gelogen verhaal.
Uiteraard is daar geen sprake van. Kijk alle speeches van de afgelopen jaren er maar op na, inclusief die van de Palestijns Israelische parlementariër Haneen Zoabi uit 2015, de enige die de naam Israel ooit tijdens een herdenking heeft genoemd. De beschuldigingen geven vooral de treurige staat aan van de huidige officiële Nederlands Joodse gemeenschap, waar men elkaar napraat zonder dat het nodig is iets te verifiëren. De  mensen die met deze beschuldigingen kwamen hebben zich belachelijk gemaakt, maar voor ons werd het helaas onmogelijk te blijven herdenken in deze mooie sjoel.
Sprekers waren in 2016  Jerry Affriye, strijder tegen racisme,  Janneke Stegeman, 'theologe des vaderlands'', en Jaap Hamburger, de voorzitter van Een Ander Joods Geluid. De muziek werd ook dit jaar, verzorgd door Smits & Vlaar.

Jerry Affriye 
 (zijn toespraak is helaas alleen via Youtube te volgen) https://www.youtube.com/watch?v=uCYS6iDzjJIbr />

Janneke Stegeman
(Ook te volgen via https://www.youtube.com/watch?v=rpV-TI4AwOo
Janneke Stegeman tijdens haar toespraak (foto Anja Meulenbelt)

Het risico van herdenken is dat het vooral een fijn en goed gevoel oplevert: wij zijn ons bewust van de geschiedenis. Kijk ons eens de verplichte hoofdstukken herdenken. Ik groeide op in die geruststellende zekerheid. Iedereen begreep wat er mis was gegaan in de Tweede Wereldoorlog. Ieder jaar werd het herdacht, dus dat zat goed. Net zoals het helder was dat racisme fout is. Als het fout is, dan zullen we er wel over heen zijn. Op die manier kan herdenken bedekkend zijn. Sussend en tegelijk uitsluitend: wij staan aan de goede kant, want we zijn ons bewust van het kwaad van het verleden.

Wie is de wij over wie ik het heb?
Meestal heb ik de luxe om als individu te kunnen spreken. Dat is een privilege. Vandaag spreek ik in een synagoge, bij de herdenking van de Kristallnacht. Ik spreek niet als individu, maar als witte protestantse Europeaan deze Kristallnacht. Dat voelt ongemakkelijk. Dat ongemak wil ik hier ter sprake brengen.

Herdenken moet netjes, vinden sommigen. Binnen de lijntjes. Ik geloof niet meer in die veilige vorm van herdenken: herdenken zou gevaarlijk moeten zijn. Het betekent je niet neerleggen bij de status quo. Het betekent het stellen van gevaarlijke vragen. Het grenst aan protest, en protesteren is geen keurige aangelegenheid.

Daar ben ik niet zomaar achter gekomen. Ik heb bijvoorbeeld door Pesach te vieren in Jeruzalem geleerd dat herdenken transformerend kan zijn. De joden met wie ik dat deed vonden dat daar Palestijnen bij hoorden, want Pesach gaat over bevrijding en Palestijnen leven onder bezetting. Dat is gevaarlijke herdenking, die mensen kan transformeren.

Waar zitten voor mij de gevaarlijke vragen? In mijn eigen traditie. Na Kristallnacht kwam een grote vluchtelingenstroom op gang. Heel even leidde dat tot Nederlandse solidariteit. Maar de meeste joden die na de Kristallnacht Duitsland uit vluchtten, werden in Nederland aan de grens geweigerd. Extra grenswachten werden ingezet om hen terug te sturen. Dat was onder het kabinet Colijn, bestaande uit drie christelijke partijen – waaronder de ARP, de partij waarvoor mijn opa later in de gemeenteraad van Gramsbergen zat. Zoveel joodse vluchtelingen zouden misschien het antisemitisme aanwakkeren, was de paradoxale angst. En het zou de relatie met Duitsland kunnen verstoren.

Ik geloof dat mijn traditie antisemitisme nog steeds niet serieus genoeg in de ogen heeft gekeken. Het wordt gezien als een tijdelijke vergissing, waar de theologie na de Tweede Wereldoorlog zichzelf gelukkig grotendeels van heeft genezen. Inderdaad kwam er na de tweede wereldoorlog onder Nederlandse christenen een belangrijke beweging van bewustwording op gang. Helaas meen ik te zien dat het voor Nederlandse christenen vandaag nog steeds moeilijk is zich te verhouden tot joden. Dat wil zeggen: tot de levende realiteit van joden, in plaats van tot een geïdeologiseerd idee van wat joden zouden moeten zijn. We spreken over een joods-christelijke traditie alsof er geen jodenvervolging is geweest.

We slagen er ook niet in het christelijke antisemitisme in verband te brengen met een bredere geschiedenis van christelijke uitsluiting, die joden betrof, maar ook moslims, en zwarte mensen. Antisemitisme – racisme tegen joden - en Islamofobie worden niet met elkaar in verband gebracht. Maar de wortels van Christelijk antisemitisme zijn wel verbonden met uitsluiting van Moslims. In 1492 werden Joden en Moslims verbannen uit Spanje. Luther zag jodendom en Islam als bedreiging voor het Christendom. In dezelfde periode veroverden christelijke Europeanen koloniale gebieden, ondersteund door een verhaal dat hen als superieur zag vanwege hun religie en de kleur van hun huid.

Vandaag werd in de VS een witte man gekozen, in wiens uitspraken de verbindingen tussen xenofobie, racisme, Islamofobie en antisemitisme pijnlijk duidelijk worden. Racisme in de VS behoort nog helemaal niet tot het verleden, ook niet na acht jaar Obama. De manier waarop islam en moslims hier worden weggezet duidt op hetzelfde. Die vormen van uitsluiting zijn een voortzetting van iets ouders.

Herdenken zou geen onschuldige bezigheid moeten zijn, vandaag zeker niet. Degenen die zich verzetten tegen deze bijeenkomst voelen dat in ieder geval wel aan. Ze voelen aan dat het gevaarlijk is Kristallnacht te herdenken als iets dat over joden gaat en over het gevaar van antisemitisme, maar ook ons iets vertelt over uitsluiting in het algemeen. Als we geschiedenissen van uitsluiting met elkaar verbinden, kunnen we niet langer over antisemitisme spreken als iets dat apart staat. Zo spreken over antisemitisme werkt vaak versluierend, speelt moslims en joden tegen elkaar uit, en houdt de Westerse christelijke traditie buiten schot. We moeten het hebben over hoe racisme tegen joden in verband staat met racisme tegen zwarte mensen, racisme tegen moslims, geweld tegen vrouwen.

Wat staat ons te doen? Ik spreek eerst tot ‘mijn’ witte christelijke of post-christelijke wij dat ik aan het begin benoemde: we moeten gevaarlijke vragen durven te stellen bij onze eigen geschiedenis. We moeten onze vooronderstellingen over wie we zijn durven te herzien. We moeten weigeren te accepteren dat wat er nu gebeurt normaal is. Dat Moslims zich gehaat voelen. Dat politici profiteren van Islamofobie. Dat de politie etnisch profileert. Dat wie protesteert tegen racisme als de veroorzaker van het probleem wordt gezien. Het is belangrijk dat we bereid zijn macht op te geven. Ruimte, tijd, geld over te laten aan anderen. Dan ontstaan er nieuwe, creatieve verbindingen.

En voor ons allemaal: bij elkaar komen, herdenken, protesteren, delen. Ons niet uit elkaar laten spelen. Leren over de geschiedenis – vanuit nieuwe perspectieven, schrijven, onderwijzen, liefhebben. Pijn met elkaar delen. Moed vinden. Uitrusten. En hopen: omdat in een wereld zonder uitsluiting iedereen floreert.



Jaap Hamburger
 zie ook hier: https://www.youtube.com/watch?v=f3Mtz2RCiO
 Jaap Hamburger

Sommige uitingen lijken wel nooit te veranderen, behalve in hun taalgebruik. Hoor het volgende citaat, ontleend aan de Wikipedia, uit de Memorie van Antwoord bij de Nederlandse Rijksbegroting 1938. Het citaat gaat over het toelaten van Duits-joodse vluchtelingen, die al voor de Kristallnacht (beter: Reichspogromnacht) van november 1938 Duitsland ontvluchtten:
"Vermeden moet worden alles wat de strekking heeft duurzame vestiging in ons reeds zo dichtbevolkte land te bevorderen, daar een verder binnendringen van vreemde elementen schadelijk zou zijn voor de handhaving van het karakter van den Nederlandschen stam. De Regeering is van oordeel dat in beginsel ons beperkt territoir voor de eigen bevolking moet blijven gereserveerd.

De relatie met de herdenking van de Kristallnacht vanavond, in deze gerestaureerde, intieme Uilenburgersynagoge ligt voor de hand. Mensen worden vervolgd, vluchten en stuiten op een muur van onwelwillendheid. De Kristallnacht herdenken betekent: opkomen tegen ontwikkelingen in de samenleving die maken dat mensen op een dag hun biezen moeten pakken.

De ondergang van deze synagoge leek op afstand ingeluid door de gebeurtenissen die als ‘Kristallnacht’ de geschiedenis zijn ingegaan, en door de IJstijd voor het Europese jodendom, die daarop volgde. De Nederlandse synagogebezoekers van destijds zullen dat wellicht niet meteen beseft hebben, die avond en nacht van - ook toen - woensdag 9 november 1938, en de dag en de dagen die er in Duitsland op volgden, de ‘Novemberwochen’.

Omdat wij hier die Kristallnacht herdenken,wil ik een drietal gedachten aan u voorleggen, die draaien om het fenomeen waar die nacht in November 1938 uit voortkwam: antisemitisme.

Antisemitisme is niet mijn favoriete onderwerp, omdat gesprekken of discussies hierover te vaak vertroebelend werken voor andere zaken die mij intens bezig houden, zoals het Israëlisch-Palestijnse conflict. Te vaak wordt kritiek op aspecten van het Israëlische beleid rechtstreeks of langs een omweg als een vorm van ‘antisemitisme’ betiteld. Er is zelfs een kwaadaardige term gemunt voor die kritiek: ‘nieuw antisemitisme’.

Maar vanavond gaat het niet over uitsluiting of mensenrechten in de schaduw van het Israëlisch Palestijns conflict. Daar is het, behalve verleden jaar, sedert 1992, nog nooit over gegaan tijdens deze herdenking, in weerwil van alle andersluidende aantijgingen en insinuaties.

Vanavond wil ik enkele aspecten bespreken van het ‘echte, het ‘ouderwetse’ antisemitisme’, voornamelijk in Nederland.

Laat ik om u in de ‘ juiste sfeer’ te brengen eerst enkele feiten van de Kristallnacht vermelden, waarvan de kale eenvoud enig inlevingsvermogen vraagt, om de verschrikking, de eenzaamheid en de doodsangst te bevroeden die er achter schuil moeten zijn gegaan.

Ik citeer, opnieuw uit de Wikipedia:

“In heel Duitsland werden Joden aangevallen en er werden volgens recent onderzoek 1.000 tot 2.000 synagogen in brand gestoken – een hoog getal dat ik tot nu ook alleen bij de NOS heb aangetroffen, meestal lees ik 191 synagogen verbrand en nog eens 76 synagogen op een andere manier kapot gemaakt - en ongeveer 7500 winkels en bedrijven van Joden vernield. Ook Joodse huizen,scholen, begraafplaatsen en ziekenhuizen moesten het ontgelden. Het werd de brandweer verboden om de branden te blussen, tenzij het aanpalende panden betrof. Tijdens de Kristallnacht werden 400 Joden vermoord of tot zelfmoord gedreven. Ook in Oostenrijk en Sudetenland werden Joden aangevallen en hun bezittingen vernield.”

Nog een citaat: “ Een Britse correspondent in Berlijn, werkzaam voor de London Daily Telegraph deed verslag: "In Berlijn heerste de wet van het gepeupel, hordes vandalen gaven zich over aan een orgie van vernietiging. Ik heb in de laatste vijf jaar diverse anti-joodse rellen meegemaakt, maar nooit zo ziekmakend als nu. Raciale haat en hysterie lijken zich volkomen meester te hebben gemaakt van een anders zo fatsoenlijk volk. Ik zag chic geklede vrouwen staan applaudisseren en schreeuwen van vreugde, terwijl respectabele moeders uit de middenklasse hun baby’s in de hoogte hielden zodat ze beter de ‘pret’ konden zien.”

Maar ook dit: De Britse historicus Martin Gilbert schrijft in zijn boek 'Kristallnacht: Prelude to destruction' dat veel Duitsers geen voorstander waren van de pogrom. Zijn mening wordt bevestigd door getuigen van de Kristallnacht die vertelden 'dat mensen achter hun gordijnen zaten te huilen'.

De dagen na de Reichspogromnacht werden 20.000 tot 30.000 joodse mannen opgepakt en vastgezet in drie verschrikkelijke concentratiekampen, Buchenwald, Neuengamme en Sachsenhausen. Zo waren die Novemberwochen 1938 in Duitsland, en toen moesten de Einsatzcommandos en de Sonderaktionen im Osten nog komen; honderdduizenden werden daar doodgeschoten, en omdat het niet snel genoeg ging en zo onmenselijk was, voor de moordenaars wel te verstaan, en het zo’n klus ook om alle lijken tijdig en grondig weg te werken, bedacht men daarna de vernietigingskampen.

Geen wonder dat het ‘antisemitisme’ waar dit alles uit voort kwam, tot de dag van vandaag in Europa een open zenuw raakt. Toch is het precies hierover dat ik een drietal opmerkingen maken wil.

Ten eerste: de Reichspogrom werd propagandistisch voorgesteld als een ‘actie van spontane volkswoede.’ Inmiddels weten we beter, heel veel beter. Topleden van de Nazidictatuur, een aantal van de belangrijkste politieke misdadigers van dat moment, waren betrokken; we weten zelfs in een aantal gevallen tot op het uur en de minuut in de nacht nauwkeurig wanneer zij betrokken raakten. Goebbels, Heydrich, Hess en Gestapochef Müller hebben de zaken in gang gezet, met instemming zo niet in opdracht van Hitler. ‘De joden moesten de volkswoede maar eens voelen.’ Himmler hield zich afzijdig: zijn SS hield niet van de chaos die op uitbreken stond, dat was meer een kolfje naar de hand van de veel ‘volkser SA’. Alle Gauleiter van de NSDAP, alle bureaus van de reguliere politie, alle kantoren van de Gestapo en van de Sicherheitsdienst, kortom het hele immense repressieve apparaat van de dictatuur werd van de komende ‘rellen’ middels telexen op de hoogte gebracht en geïnstrueerd hoe te handelen, of toe te kijken.

Waarom leg ik zo de nadruk op de betrokkenheid van de top en het repressie-apparaat van de Duitse dictatuur? Omdat er in Nederland anno 2016 op geen enkele wijze een vergelijkbare infrastructuur bestaat voor uitingen of daden van antisemitisme. Antisemitisme bedrijven en in de praktijk brengen is hier geen doelstelling van de staat. Er zijn geen overheidsorganen of organisaties of politieke partijen met aanhang van betekenis, die van antisemitisme een programmapunt hebben gemaakt. Er is geen tijdschrift, stroming, beweging, of lobby die antisemitisme in het vaandel voert. Ook is er geen wijd verbreide antisemitische cultuur; hier verschijnen niet op grote schaal schoolboeken, boeken of publicaties, films of cartoons waarin ‘de jood’ opgevoerd wordt als rat, luis, parasiet, bedrieger, geilaard, nomade, uitzuiger, samenzweerder, kapitalist, of bron van alle kwaad tout court. Op ‘antisemitisme’ rust een kolossaal taboe, en dat taboe werkt krachtig door, en wordt gehandhaafd.

Niets om ons druk over te maken? In dit opzicht voor joden vooralsnog amper, beweer ik, maar geheel anders ligt de situatie voor Moslims. Er staat tegenover hen wel een politieke partij, een die hun geloof in de zwartste termen beschrijft, als een ‘facistische ideologie’ die per onmiddellijk verboden zou moeten worden. Die partij geeft voor zich slechts tegen die ‘ideologie’ te richten, niet tegen de dragers. Tegen de Islam, niet tegen Moslims. De leider van die partij verklaart echter in 2009 in Denemarken in een TV-interview na herhaalde vragen, dat naar zijn idee van de circa volgens hem 50 miljoen Moslims in Europa ‘tientallen miljoenen’ uitgezet zouden moeten worden. De criteria voor ‘uitzetting’ zijn vaag. Wilders als de overtreffende trap van Trump.

Op zich is het al beledigend en bedreigend voor Moslims, dat dit kan passeren. Als zijn politieke partij in Nederland de oversteek zou maken, uit de coulissen naar de macht, en dat is na maart 2017 niet geheel denkbeeldig, dan zijn niet alleen Moslims in gevaar maar ook de rechtsorde en de waarborgen van de rechtsstaat en uiteindelijk wij allen die het van die waarborgen moeten hebben. Wat het bedreigender maakt: de oversteek van deze partij naar het ‘culturele domein’ heeft al lang plaatsgehad. De PVV-‘boodschap’ wordt verder gedragen en versterkt door een onafzienbare waaier van personen, en van media uitingen en andere, van allerlei soort. Vaak virulent, soms verkapt en ‘subtiel’. Dagblad De Telegraaf: ‘scooterterreur in Amsterdam’. Guess, welke scooterrijders de Telegraaf op het oog heeft.

Er treedt gewenning op, en de kwade sapstroom naar hart en hersens is op gang gekomen. Dit is nu precies waarom deze herdenking vanavond meer is dan louter omzien. Het herdenken, liever het gedenken van de Kristallnacht kan ons leren hoe een samenleving klaargestoomd wordt om zich massaal en uit volle overtuiging op de ander te storten.

Een tweede opmerking, een die mij misschien niet in dank wordt afgenomen door het Platform Stop Racisme en Uitsluiting en waarschijnlijk evenmin door de officiële joodse instanties en hun woordvoerders. Van antisemitisme wordt een aparte discriminatie-categorie gemaakt. Dat mag ‘historisch’ en emotioneel verklaarbaar zijn, maar is er niet veel voor te zeggen om nu eens onbevooroordeeld de sociale, psychologische en andere parallellen en overeenkomsten te zoeken en te onderzoeken, met andere vormen van discriminatie en uitsluiting? Niet om antisemitisme te relativeren, maar om het beter te begrijpen.

De genocide op de joden was weliswaar ‘uniek’, maar heeft niet elke genocide ook unieke kenmerken? Is het niet nuttig om ook hier te weten welke parallellen en overeenkomsten er zijn? Joden willen - terecht! – niet apart behandeld worden; moeten zij dan niet ook juist willen dat de joodse geschiedenis en de collectieve herinnering vergeleken wordt met die van andere volkeren of groeperingen? Zou het haalbaar zijn dat men in joodse kring afstapt van het veel voorkomende gevoel dat elke vergelijking van de jodenmoord met andere massamoorden een vorm van relativering van de Holocaust zou inhouden en miskenning van het ‘joodse slachtofferschap’?

Ten derde: antisemitisme is een gezindheid, die zijn weerslag vindt in woorden en daden. Wordt die gezindheid soms niet erg makkelijk verondersteld aanwezig te zijn, ook als er van uitingen in woord of daad geen bewijs is? Ik neem mijzelf als voorbeeld. Op zijn blog van 24 oktober over ‘drie Kristallnacht-herdenkingen’ biedt de zich ‘Keesje Maduraatje’ noemende blogger Kees Broer bij de commentaren onderdak aan een zekere ‘Jan’. Jan, natuurlijk anoniem, presenteert zich visueel in de vorm van een drinkglas gevuld met ‘koffie verkeerd’.

Jan schrijft: “En nu mag een zelfhatende Jood, die we Jaap Hamburger toch inmiddels wel mogen noemen, een schijnvertoning in een Synagoge opvoeren. Het ontkracht in elk geval één hardnekkig vooroordeel, namelijk dat Joden niet antisemitisch zouden kunnen zijn.” Broer ziet er geen been in, het commentaar van ‘Jan’ gewoon te laten staan, zonder reactie.

Van mij glijdt het af, als druppels van een verenpak, maar zo langzamerhand lijkt niemand meer gevrijwaard van deze ernstige beschuldiging uit bepaalde hoeken. Als ik rondkijk, is deze synagoge voor zeker de helft gevuld met ‘antisemieten’. Dat is echter niets vergeleken met de berekening die de obsessief met ‘antisemitisme’ gepreoccupeerde Manfred Gerstenfeld in 2013 heeft gemaakt: “cijfermateriaal uit verschillende studies levert het bewijs dat meer dan 150 miljoen burgers van de Europese Unie een demonische kijk op Israël hebben”, vrij vertaald: ‘antisemitische gevoelens koesteren’.

Ik kan een avond vullen met dit soort loze beweringen.

Ik stel voor dat het Platform zich in haar begrijpelijke waakzaamheid toch niet op sleeptouw laat nemen door alarmisten als Gerstenfeld, of anderen, die achter elke steen een antisemiet ontwaren; ik zou de joodse instanties en woordvoerders willen vragen om bij herhaling stelling te nemen tegen het gemak waarmee Jan en Alleman van ‘antisemitisme’ wordt beticht, en het voor deze mensen op te nemen, door telkens om deugdelijk bewijs te vragen voor de aantijging. Tenslotte zou ik wensen dat het Openbaar Ministerie of een andere instantie een rechtsweg openstelt om desgewenst tegen deze grievende beschuldiging op te komen.

Overigens betekent dit, dat met aantijgingen als ‘racist’, en toch ook ‘Islamofoob’ van onze kant net zo goed wat terughoudender mag worden omgegaan, dan ik nu waarneem. Laten wij ook zuinig zijn met onze eigen diskwalificaties, en ze terwille van onze eigen geloofwaardigheid goed onderbouwen.

Ik vat mijn betoog voor u samen: ‘antisemitische uitingen’ komen voor, ook in Nederland, maar op het niveau van individuen en incidenten; deze vorm is onvergelijkbaar met het Duitse staatsantisemitisme en er gaapt een welhaast onoverbrugbare kloof tussen beide. Auschwitz is niet gebouwd en zal niet gebouwd worden van scheldwoorden, omgeduwde grafstenen, afgerukte keppels, of bekladde synagogen. Evenzogoed moet tegen die verwerpelijke uitingen op elk denkbare wijze opgetreden worden, repressief educatief en zo mogelijk preventief. Voor Moslims en voor wie daarvoor wordt aangezien, is de situatie echter nu al veel bedreigender en ik zou wensen dat christelijke en joodse instanties nog veel vaker en uitgesprokener dan nu, en publiekelijk hun eendrachtigheid met Moslims uitdragen.

Voorts: antisemitisme is een vorm van anti-joods racisme; dat inzicht opent de weg voor een ander soort analyse die mogelijk kan helpen antisemitisme beter te begrijpen.

Tenslotte: publieke waakzaamheid tegenover elke vorm van racism en uitsluiting zoals belichaamd in het Platform Stop Racisme en Uitsluiting verdient alle waardering en ondersteuning en moet blijven. Tegelijk moeten ook wij het hoofd koel houden, terughoudend zijn met beschuldigen en met het wegzetten van mensen. De weg tussen polariseren en verbinden door, is smal en moeilijk. Alleen polariseren roept tegenkrachten op, met het risico dat die onbeheersbaar worden; alleen verbinden kan uitmonden in collaboratie. Het Platform en ‘alle mensen van goede wil’, om die mooie uitdrukking te gebruiken, moet een gevarieerde strategie ontwikkelen, om te helpen voorkomen, dat op een dag ook bij ons de ruiten aan diggelen gaan. Liever voorkomen, dan scherven ruimen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten