maandag 9 oktober 2017

Herdenking 2015

 Haneen Zoabi tijden haar rede bij de herdenking in 2015

De herdenking van 2015 vond plaats overdag, op zondag 8 november, bij het monument voor het Joodse verzet in WO II bij het stadhuis van Amsterdam. Er waren drie sprekers: Anya Topolski, filosofe en universitair docent van de universiteiten van Nijmegen en van Luik, Haneen Zoabi, Palestijns lid van het Israelische parlement. en Markha Valenta, universitair docent Amerikansitiek aan de Universiteit van Nijmengen. Muziek was er van het duo Smits & Vlaar
Hieronder de tekst van de speeches (die van Haneen Zoabi in vertaling).

Toespraak Anya Topolski.
Dit jaar is het de eerste keer dat ik de herdenking van Kristalnacht zal moeten beleven zonder mijn grootmoeder. Ze is deze zomer gestorven. Mijn jongste kind, Aisha, die hier is vandaag, heeft mijn grootmoeder nooit mogen kennen. Dit is echt spijtig want ze had mij, Aisha, en ons allemaal veel te leren. Vandaag wil ik graag met jullie delen wat ze mij vaak vertelde over Kristalnacht. Op deze wijze blijft mijn grootmoeder verder leven.

Op 9 november 1938 was mijn grootmoeder Pola Sara Topperman 19 jaar oud. Haar geboortenaam die ze in Lvov, Oekraïne in 1919 kreeg was in feite Pola Topperman. In 1938 moest ze, zoals de meeste Jodinnen – volgens de racistische wet van 17 augustus die van toepassing was in Duitsland, Oostenrijk en Oost-Europa – de naam Sara toevoegen aan haar naam. Volgens de zelfde racistische wet moesten alle Joodse mannen de naam Israel toevoegen aan hun naam.

In 1938 waren er, zoals mijn grootmoeder, meer dan 70,000 Joden in Duitsland van Oost-Europese afkomst. Sommige van Poolse, sommige van Oekraïense, sommige van Tsjecho-Slowaakse origine Ze hadden geen hoop op een toekomst in Oost-Europa en beseften nog niet hoe erg het was in Duitsland. Hun realiteit veranderde echter op 28 oktober 1938, tien dagen voor Kristalnacht. In 24 uur tijd werden bijna 20,000 Oost-Europese Joden gedeporteerd. Mijn grootmoeder heeft vaak gesproken over die avond.

Het gebeurde op een vrijdag, de Joodse sabbat. In een oogwenk werden alle niet Duits-geboren Joden opgepakt. Mannen, vrouwen, en kinderen. De meesten onder hen, ook de minder gelovige, waren op dat moment volop bezig met de maaltijdvoorbereidingen voor de komende sabbat. Ze kregen het bevel om binnen een paar uur, met een minimum aan bagage, te verzamelen bij een opvangcentrum. Tegen de avond werd het duidelijk dat over heel Duitsland, op heel efficiënte wijze, Joden van Oost-Europese afkomst waren opgepakt. Ze werden snel en zonder pardon het land uitgezet, om nooit meer terug te keren en nooit meer te worden gehoord.

Volgens getuigenissen bleven de Joden die in Duitsland mochten blijven, allemaal in shock achter. Er werd over niets anders gesproken. De volgende dag werden in de synagoge veel discussies gevoerd over de relatie tussen de Duitse Joden en die uit Oost-Europa. Al moesten ze volgens de racistische wet allemaal hun namen veranderen door er Sara of Israel aan toe te voegen, toch was er een verschil tussen Oost Europese Joden en West Europese Joden. De overblijvers waren Duitse Joden, Duitse burgers, geworteld in de Duitse cultuur, deel van het publieke leven, betrokken bij de handel, de kunst, de vrije beroepen. "Dit heeft kunnen gebeuren met de Ostjuden," vertelden ze zichzelf. "Maar bij ons, Duitsers? Nooit." Ze hadden dus nog steeds een vals gevoel van veiligheid.

Nog geen 10 dagen later, op 9 november 1938, de "Nacht van gebroken glas", kwam er een einde aan dat valse gevoel van veiligheid onder de Duitse Joden. Honderden synagogen ging in vlammen op; bedrijven werden geplunderd; mensen werden doodgeslagen. Bijna 30.000 Joodse mannen werden gearresteerd.
Wat vaak vergeten wordt, is dat een schietpartij in Parijs hiervoor als voorwendsel werd gebruikt, waarbij een nazidiplomaat door een Duitse Jood werd doodgeschoten. Zijn ouders maakten deel uit van de massa mensen die waren weggestuurd naar Polen, zoals mijn grootmoeder, naar de vergetelheid.

Voor Oost-Europese Joden zoals mijn grootmoeder was Kristalnacht geen ‘turning point.’ Eerlijk gezegd had ze gedacht en gehoopt dat Kristalnacht heel Europa zou wakker schudden – Joden en niet-Joden. Dat niémand echt veilig is als niet iedereen veilig is, was de harde realiteit. Dat was toen, maar ook vandaag, een boodschap die velen liever niet onder ogen zien. Wanneer we dus zeggen “nooit meer”, dan moet het ‘nooit meer’ voor iedereen gelden en niet alleen voor mensen met dezelfde religie, nationaliteit, kleur, enzovoort als ik, als wij. Als we een wereld zonder geweld willen, dan kunnen we onze ogen niet sluiten voor het onrecht dat nu vandaag, in naam van het verleden, wordt uitgeoefend op anderen. Mijn grootmoeder vond in 1938 het gebrek aan solidariteit voor de ander, toen de Joden in Europa, tragisch. Waarom heeft niemand iets gedaan toen 20 000 Joden werden gedeporteerd op 28 oktober 1938?

Het gebrek aan solidariteit tussen Joden uit Oost en West, vond ze hartverscheurend. Ze zou dan ook gepijnigd zijn als ze zou weten dat er vandaag twee aparte herdenkingen van Kristelnacht zijn in Amsterdam. Ik ben het daar mee eens, ook voor mij staat dit symbool als belangrijke voorafschaduwing.

Ik besef dat je de hoop/belofte ‘NEVER AGAIN - nooit meer’ op twee manieren kan interpreteren: dit zal de joden nooit meer overkomen of we staan het niet toe dat dit iemand, ooit nog kan overkomen. Het is met die laatste interpretatie dat ik ben opgevoed: niemand mag uitgesloten worden, want eens je dat toestaat, komt er geen einde aan de cirkel van haat en uitsluiting. Dat principe hou ik hoog, elke dag, in mijn dagelijks leven, in mijn onderzoek aan de universiteit. Mijn grootouders waren overlevenden van de Shoah en mijn ouders waren vluchtelingen uit Polen ten gevolge van het antisemitische overheidsbeleid in 1968. Deze ervaringen van uitsluiting zitten sterk verweven in mijn familiegeschiedenis. Dat principe is voor mij een kernwaarde die ik heb gekregen van babcia Pola en die ik aan Aisha en mijn andere kinderen wil overbrengen.

Het is precies voor deze reden dat ik het belangrijk vind dat er geen vergelijkingen of concurrentie zou bestaan tussen slachtoffers. Waarom zou het feit dat ik ook slachtoffer ben, jouw lijdensweg aan waarde doen inboeten? Als Poolse en Joodse ben ik zeer bewust dat beide groepen slachtoffers waren. We moeten naar elkaar luisteren en elkaar proberen te begrijpen in plaats van te concurreren met slachtofferschap. Slachtofferschap kan je niet meten, het is een heel subjectieve en persoonlijke beleving.

Eén van de belangrijkste lessen die wij moeten trekken uit de Shoah is het gevaar van dit soort van instrumenteel denken dat gefocust is op het berekenen en meten. Pijn, verlies, uitsluiting... welke meetlat leg je daarnaast? Bij de hedendaagse concurrentie in Europa tussen de slachtoffers van antisemitisme en islamofobie, wil ik die boodschap ook graag meegeven. Alleen zo kunnen een meer rechtvaardige en inclusieve samenleving creëren voor de Ander – Tikkun Olam zoals we zeggen in het Hebreeuws. In plaat van te concurreren, moeten beide groepen slachtoffers elkaar erkennen en steunen. Erkenning kunnen geven aan de ander veronderstelt dat je verbeeldingskracht hebt om het perspectief van de ander te begrijpen. Haat en uitsluiting verlammen die verbeelding.

Zowel de slachtoffers van antisemitisme als die van islamofobie – hier, maar ook in Israel en Palestina – zouden zich er meer bewust van moeten zijn dat ze beiden slachtoffer zijn van één en dezelfde partij – ‘het idee van Europa’. Het idee van Europa is een idee dat wij, ik, jullie, allemaal onbewust geloven. Dat wij, omdat wij hier geboren zijn, op een of ander manier, beter zijn dan iemand anders, dat wij beter verdienen, dat wij recht hebben op meer dan mensen wiens afkomst elders ligt. Dit probleem, met wortels in het Christendom en in de Verlichting, en met slavernij, kolonialisme en de hebzucht van het kapitalisme als zichtbare effecten, is ook heel direct gelinkt aan de oprichting van de staat Israël en dus aan de nakba. Het is tragisch dat minderheden, in Europa maar ook elders zoals in Israel en Palestina, zich tegen elkaar laten uitspelen op een manier waar niémand beter van wordt.

Wat ik vandaag door het verhaal van mijn groetmoeder Pola Sara Topperman probeer uit te leggen is dat wij het gebrek aan solidariteit tussen mensen – niet alleen in 1938, maar ook vandaag, hier en nu in Amsterdam – met een andere bril moeten bekijken. In plaats van onszelf steeds te vergelijken met iemand anders, individu of groep, moeten wij misschien beginnen bij onszelf. Wij moeten allemaal in de spiegel durven kijken en ons de vraag stellen: welke privileges heb ik cadeau gekregen en wat zijn de vooroordelen van waaruit ik de wereld ervaar. Zoals de filosoof Emmanuel Levinas ons heeft geleerd: verantwoordelijkheid kan je enkel in de eerste persoon uitspreken, ík ben verantwoordelijk. Het allerbelangrijkste is om te reflecteren welke verantwoordelijkheid ik heb in deze conflicten, en van daaruit te zoeken naar welke rol ik KAN spelen in dit hedendaags gebrek aan solidariteit.

Bedankt.

Drie sprekers op een rij: Vrnl: Markha Valenta, Haneen Zoabi en Anya Topolski (Foto Anja Meulenbelt)

 
Toespraak van Haneen Zoabi  (vertaling van haar speech in het Engels)
 Zoabi is lid van het Israelisch parlement als vertegenwoordiger van de Verenigde Lijst van Arabische partijen. Zij maakt deel uit van de partij Tajammu al-Watani Dimoqrati, de Nationale, Democratische Alliantie, in Israel ook wel de Balad partij genoemd.
 Haar Engelstalige rede is ook te zien op https://www.youtube.com/watch?v=7_d0ljkBF24
 De Engelstalige tekst is o.m hier te lezen op de blog van Abu Pessoptimst.
   
Ik wil u bedanken dat u mij hebt uitgenodigd hier te spreken bij deze bijzondere gelegenheid. Ik vind het een bijzondere eer te mogen spreken ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de Kristallnacht, en in naam van alle slachtoffers van racisme en vooroordelen en vervolging.
Het is voor mij een eer te mogen spreken in naam van het Joodse verzet en in naam van allen die in verzet zijn gekomen tegen onderdrukking.
Tijdens de Kristalnacht, zijn duizenden winkels en honderden synagoges verwoest en in brand gestoken door Duitse bruinhemden.
Misschien was de meerderheid van de Duitsers het hiermee niet eens, maar zij bleef zwijgen. Als in Israël twee kerken en tientallen moskeeën in brand worden gestoken en honderden Israëlische supporters van Beitar “Dood aan de Arabieren” schreeuwen na elke voetbalwedstrijd, wanneer een familie door brand wordt gedood, wanneer een 15 jarige jongen verbrand, dan blijft de meerderheid zwijgen, hoewel zij wellicht geschokt is.
Netanyahu en Barkat , de burgemeester van Jeruzalem, hebben burgers opgeroepen wapens te dragen en zij kregen de volle steun voor deze oproep van de zijde van Moshe Ya’alon, minister van Defensie, en van Yuval Diskin, het voormalig hoofd van de Israëlische geheime dienst.
Netanyahu heeft de Joodse burgers opgeroepen te stemmen omdat –zoals hij het formuleerde- “De Arabieren naar de stembussen rennen”. De minister van Onderwijs, Bennett, heeft verklaard, ik citeer: “dat het OK is om Arabieren te doden. Ik heb het zelf meermalen gedaan.” Lieberman zegt “Gebruik de bijl”. Dit maakt duidelijk dat de kernboodschap van Kristallnacht niet is overgekomen.
De Kristallnacht kwam niet uit de lucht vallen, uit het niets. Het was het eindpunt van een ontwikkeling van jaren. En we zien een soortgelijke ontwikkeling zich nu in Israël voordoen sinds een aantal jaren.
De uitspraken die ik zojuist citeerde, rechtvaardigen  het geweld tegen Palestijnen. Maar de toehoorders blijven zwijgen. Langzaam, stapje voor stapje, accepteert de publieke opinie wat zij dag na dag hoort. De boodschap wordt onbewust overgenomen tot deze de algemeen geldende norm is geworden.
Ik wil u enkele recente onderzoeksresultaten laten horen, afkomstig van de jaarlijkse Democratie Index van het Israelisch Democratisch Instituut:Een meerderheid van de Joodse burgers van Iarel meent dat het gerechtvaardigd is in het geval van oorlog de Arabische (Palestijnse) burgers van Israel vast te zetten. Een meerderheid onder de Israëlische bevolking gelooft dat de joods-zionistische waarden belangrijker zijn dan democratische waarden. 55 procent is tegen volledige gelijkheid voor Palestijnse inwoners van Israël. Het is niet moeilijk de geleidelijke neergang te bemerken naar een diep dal, dat ons herinnert aan het Duitsland van de jaren dertig van de vorige eeuw.
De demonisering van de Ander, het rechtvaardigen van het gebruik van geweld en het gebrek aan  tegengeluiden tegen misdaden, dat alles herinnert ons aan wat zich afspeelde in het Duitsland van begin jaren dertig.

Twee weken geleden is een Eritrese vluchteling, Haptom Zarhum, op het centrale busstation van Beer Sheva door een menigte gelyncht. En de algemene reactie op deze afschuwelijke gebeurtenis was dat er sprake was van ‘een identificatiefout’. De menigte die hem vermoordde, zag hem aan voor een terrorist en niet voor een onschuldige Jood. Wat echter het meest schokkend is, is dat de mensen niet geschokt waren door de misdaad zelf, maar door de identificatiefout. Als het slachtoffer een Palestijn was geweest, was het geen probleem geweest. 
Ik kan u nog meer voorbeelden geven, waarvan we kunnen leren dat de staat Israël snel soortgelijke fases doorloopt als in Duitsland in de jaren dertig.  En het gaat niet om de facto racisme, maar ook  om de jure racisme. We hebben te maken met een politieke cultuur, die al begon toen de ideologie van deze staat werd geformuleerd, die in een zin kan worden omschreven: te zorgen voor en privileges te garanderen voor de Joodse bevolking, dat gebeurt door middel van tachtig wetten. Elk van deze wetten lijkt op zich niet zo problematisch, maar als je naar het geheel van deze tachtig wetten en amendementen kijkt, dan begrijp je hoe ernstig de situatie is.

Het zou een paar uur duren om deze wetten te bespreken en mijn tijd is beperkt, maar laat me een voorbeeld noemen. Er is bijvoorbeeld een wet die toelaat een aanklacht in te dienen tegen burgers die tot een boycot oproepen. Een boycot is op zich een vreedzame manier van politiek bedrijven, die burgers kunnen inzetten als zij in verzet komen. Maar in Israël wordt de oproep tot een boycot door de wet effectief het zwijgen opgelegd.

Ik kan vertellen over dorpen die speciale toelatingscomités hebben om Palestijnen eruit te filteren die er willen komen wonen. Kunt u zich indenken dat er een dorp in Holland is waar een toelatingscomité de plaatselijke bevolking laat besluiten of er mensen niet mogen wonen op basis van hun etniciteit, ras of religie?

In Israël moet de politie verslag doen van haar onderzoek, maar niet als het gaat om mensen die van misdaden tegen de veiligheid worden verdacht. Dit laat de mogelijkheid open voor misbruik en zelfs marteling van verdachten bij een verhoor. En omdat het wettelijk ook mogelijk is te verhinderen dat verdachten van misdrijven tegen de veiligheid hun advocaat zien, is er sprake van een groot gevaar.

Ik kan zo doorgaan maar dit is mijn laatste voorbeeld. Als iemand met een partner uit de Palestijnse gebieden trouwt, dan is gezinshereniging niet toegestaan. Kolonisten die in de Palestijnse gebieden wonen en met een partner uit Israël zelf trouwen, krijgen niet met dit probleem te maken, maar Israëlische Palestijnen wel.
De vraag is: kunnen we dit stoppen? Kunnen we van Kristallnacht leren dat we niet moeten doden? Dat we niet racistisch moeten zijn en als we met wreedheden worden geconfronteerd, dat we dan niet onze mond moeten houden? Dat we onze verantwoordelijkheid moeten nemen? Anders worden we verantwoordelijk. Als je blijft zwijgen tegenover racisme en discriminatie ben je medeplichtig!

Ik ben Haneen Zoabi. Ik ben een van de 120.000 die door Israël niet uit hun vaderland werden  verdreven, uit het Palestina van 1948, toen 85 procent van mijn mensen zijn verdreven in een etnische zuivering volgens een kolonialistisch plan. In plaats van dit diepe historisch onrecht te erkennen en een staat te vestigen die gebaseerd is op gelijkheid, rechtvaardigheid, democratie en menselijke waardigheid, leven we in een staat die gebaseerd is op het begrip ‘privileges voor Joden’, wat neerkomt op een  onjuiste interpretatie van hun eigen tragedie.
Wat we moeten leren en begrijpen van de onderdrukking, vervolging verdrijving en moord op de Joden van Europa is niet  om privileges toe te kennen aan de Joodse inwoners van Israël, maar om op voet van gelijkheid te leven. Je kunt racisme niet oplossen door anderen racistisch te behandelen. Integendeel. Je moet racisme weerstaan door gelijke rechten, democratie en rechtvaardigheid te na te streven en te eisen, en in de praktijk te brengen.Waar ik als Palestijnse mee te maken krijg is een staat die het geloof uitdraagt dat ik 
om het onrecht aan de Joden ‘goed te maken’ net zo’n soort racisme moet ondergaan als waarmee de Joden in het Duitsland van de jaren dertig van de vorige eeuw te maken kregen. AlsPalestijnse die niets te maken heeft gehad het racisme dat tot de Kristallnacht heeft geleid, identificeer ik mij met de slachtoffers en ik vecht mee in hun strijd tegen het racisme dat door Israël wordt bedreven in hun naam.Ik ben gedwongen te leven in een ondemocratisch en racistische juridisch en politiek systeem, dat is gebaseerd op ‘privileges voor alleen de Joodse burgers’, waarbij wordt vergeten dat ik het niet was, die naar Israel ben geïmmigreerd, maar dat zij naar het land zijn geïmmigreerd. En Israël is nog een stap verder gegaan door mijn volk op de Westelijke Jordaanoever, in Gaza en Oost-Jeruzalem te bezetten, waarbij grote misdaden zijn begaan tegen de mensheid, oorlogsmisdaden, waarbij het land is geconfisqueerd, nederzettingen zijn gebouwd, mensen zijn blootgesteld aan het geweld van veel kolonisten, mijn mensen onder belegerd en basale mensenrechten, waardigheid en vrijheid ons ontnomen zijn.
Bij de laatste grote aanvallen van Israël op Gaza zijn 2200 Palestijnen omgebracht, onder wie 500 kinderen. En het doden is niet gestopt. er worden dagelijks Palestijnen gedood. Wat kunnen we doen behalve strijden binnen de grenzen van het internationale recht? Welke andere menselijke reactie kunnen we geven?
Maar Israël bestempelt juist deze vorm van strijd, die ieder van u in dezelfde situatie zou voeren, als crimineel. Met de harde les van de Kristallnacht in ons hoofd roepen wij op tot de strijd van onze mensen binnen de grenzen van het internationaal recht. Wij roepen alle mensen op om volgens deze gedachtegang tegen dezelfde praktijken te strijden. Wij roepen als burgers op tot politieke strijd.
Ik roep niet op tot geweld. Ik roep op tot een strijd binnen de grenzen van het internationaal recht. Ik roep u op om niet te zwijgen over de ernstige misdaden die tegen mijn mensen worden begaan.


Het publiek geeft Haneen Zoabi een ovatie. (Foto Anja Meulenbelt)
 
Toespraak Markha Valenta

Goedemiddag dames en heren.

Het is nu dag. Het is rustig en het weer, net als het licht, is zacht. Het geweld van marteling, moord en oorlog voelt dan misschien heel ver weg. Irreëel. Als een verhaal. Echt, maar tegelijkertijd ongrijpbaar; als woorden en beelden, vluchtig als een knal, als donkere wolken in de verte, als een herinnering.

Op een bepaalde manier klopt dat: wij moeten de gruwelijkheden achter ons laten om te kunnen genieten: van de schoonheid om ons heen, van onze geliefden, van de kunst en van al het prachtige in het menselijke leven. Maar nu, hier, staan we stil. Bij de scherven die Kristallnacht achterliet. En wat ze nu met ons doen.

Scherven hebben iets dubbels. Ze kunnen snijden, als een scheermes, vlijmscherp, door je aders. En dwars door het weefsel van een samenleving. Zoals op die nacht, en de dag en nacht die daarop volgden. Toen mannen in een hysterie van opgewonden, razende haat te werk gingen met voorhamers, vuur, vuisten en voeten – mannen zich met hun hele lichaam en ziel stortten op het vernietigen van alles dat zichtbaar joods was, van het meest sacrale: synagogen die woest vernield en verbrand werden, stoffelijk joods overschot dat opgegraven en ontheiligd werd; stapels Torahs en rollen die verscheurd en onder voeten getreden werden. Dwars door heel Duitsland, Oostenrijk en het Sudetenland. Joodse zaken – meer dan 7,000 – alsook scholen en ziekenhuizen, die binnengedrongen, vernield en geplunderd werden. Niet alleen door vreemden, maar ook door buren en vrienden. Net zoals het buren en vrienden waren die toekeken, en meededen, in de orgie van vernedering, bespuging, en afranseling van joden die toen plaatsvond. Minstens 91 joden werden toen direct vermoord. Ongekende aantallen vrouwen werden bruut verkracht. En 30,000 joden – een kwart van de joodse mannen die destijds nog in Duitsland leefden – werd gearresteerd, om vervolgens naar Dachau, Buchenwald, en Sachsenhausen gestuurd te worden. Binnen drie maanden zouden de meesten weer vrijgelaten worden, met de eis om het land te verlaten. Intussen waren er echter meer dan 2.000 joden sinds die nacht doodgegaan: honderden door zelfmoord na die nacht, en nog veel meer door de barre omstandigheden en afranselingen in de kampen. Daarbij kwam het voor dat mannen zo lang en zo hard geslagen werden dat hun hun ogen uit hun schedels barstten, hun schedels zelf vermorzeld waren, zoals eerder de ramen van joodse bedrijven, hun gezichten zonder vorm, plat met de grond gemaakt werden.

Kristallnacht markeert een keerpunt in de onderdrukking van joden in het Duitsland van Hitler: de overstap van verbale agressie en juridische uitsluiting naar bruut geweld dat zich toespitste op het vernietigen van alle sporen van joods leven – in de lichamen van joden zelf, alsook in het sociale lichaam van Europa – op een schaal die niet alleen uitblinkt door de omvang van dood en terreur, maar ook door de reikwijdte en diepte van ontmenselijking: door het structurele gebruik van wrede vernedering en door het orgiastisch pleziernemen in het misbruik van de lichamen en zielen van een heel volk. Die scherven snijden nog steeds met hun vlijmscherpe randen. Door ons geheugen, door onze geschiedenis, door onze samenleving. Op de momenten dat we daarbij stilstaan.

Maar zoals de glasscherven waarnaar die avond is genoemd, doen ze ook iets anders. Scherven kunnen niet alleen snijden; ze kunnen ook een spiegel voorhouden. Geen perfecte, ongebroken spiegel – dat nooit. De geschiedenis herhaalt zich; maar zij herhaalt zich nooit hetzelfde.
Daarom staan we stil. Om ons opnieuw te herinneren wat het erkennen en ervaren van wat er toen gebeurde – in een andere tijd, met andere mensen, met wie we toch een wezenlijke band hebben – hier en nu betekent. Voor ons als joden en niet-joden; als de kinderen van verzetsstrijders en van collaborateurs; van diegenen die gedood en gemarteld werden, van diegenen die het lukte om te vluchten, en van diegenen die het uitvoerden. Of die er gewoon bij stonden en het toelieten. Wat is de plek van die geschiedenis in ons leven – als individuen en als samenleving? Wat doet ze met ons? Want net zoals wij vanuit het hier en nu terug kijken op de geschiedenis, doet de geschiedenis zelf iedere keer een beroep op ons: wat ga je doen, de volgende keer? Ben je in staat om weerstand te bieden? Heb je de moed?
Daarom staan we stil.

Stilte heeft iets weg van glasscherven. Net zoals glasscherven dubbelzijdig zijn in hun werking – het bloedig snijdende én het weerspiegelende, en ons zo een kans biedend om het deze keer anders te doen – zo heeft stilte ook iets dubbelhartigs. Er is de stilte die ruimte laat om te herinneren, te erkennen en te eren. Én er is de stilte die een onttrekking betekent aan wat er is gebeurd: de stilte die wegkijkt, zich afzijdig houdt, en daardoor stilzwijgend het ontoelaatbare toelaat.

Die stilte was er toen – in de landen die zich uitspraken tegen Kristallnacht, maar vervolgens niets deden. Of beter gezegd, zich daartegen uitspraken, om vervolgens hun grenzen voor joden nog steviger dicht te timmeren. Van de Duitsers moesten de joden weg. Van anderen mochten ze niet binnen. Die combinatie van gericht wegjagen en gericht uitsluiten was dodelijk: zodat Chaim Weizman al twee jaar eerder, in 1936, opmerkte: “De wereld lijkt wel in tweeën gedeeld: tussen die plekken waar joden niet mogen blijven leven; en die plekken waar ze niet binnen mogen.” Diezelfde stilte, de stilte die wegkijkt bij de moord van een ander, naast je, aan de grenzen van je land, je eigen leven, je bewustzijn, is er nu. Nu ook. Nu weer.

De beroemde Hongaars-Israëlische filosoof Yehuda Elkana, die zelf Auschwitz overleefde, schreef 50 jaar na de Kristallnacht dat er uit de as van Auschwitz twee volkeren ontstegen: een minderheid die stelt “Dit mag nooit meer gebeuren” en een bange en gekwelde meerderheid die stelt “Dit mag ONS nooit meer gebeuren.” Hij was zelf een fervent voorstander van de eerste overtuiging, en stelde dat de tweede catastrofaal was. Iedere filosofie van het leven die gevoed zou worden door de tweede – “Dit mag ONS nooit meer gebeuren” – zou desastreuze consequenties hebben. De context waarbinnen Elkana schreef, was de eerste intifada. Als hij keek naar het onmenselijke geweld van zijn eigen staat en mede-Israëliërs jegens de Palestijnen, hij zelf zag hoe mensen levend begraven werden door bulldozers, hoe een rellende menigte in een ziekenhuis de beademingsapparatuur van ouderen uittrok, en hoe soldaten de armen van burgers – inclusief kinderen – moedwillig braken… als Yehuda Elkana naar dit allemaal keek, dan vond hij dat Hitler aan het winnen was: de verslaving aan het verleden ondermijnde de democratie in het heden. Vandaar dat hij vervolgens stelde: “wij moeten leren om te vergeten.”

Dit was niet een oproep om de Shoah als zodanig te vergeten, maar om de sacrale verering daarvan – van symbolen, rituelen en monumenten – ten koste van het heden en de democratie aan banden te leggen. Onze democratie moet niet opgeofferd worden aan de doden, maar keer op keer bevochten worden door de levenden, voor de levenden. Democratie is nooit gegeven, maar alleen bevochten. Door iedere generatie opnieuw.

Het is daarom niet alleen kwalijk, maar ook gevaarlijk dat onze regering hier in Nederland weigert om dat te doen. Op het moment dat hier op televisie Nazi’s uitgenodigd worden voor praatprogramma’s, dat racistische en xenofobische bewegingen als Pegida weer de straat op gaan, dat er brede discriminatie is in onze samenleving, dat politici roepen dat bepaalde minderheden achterlijk, ongewenst en een gevaar voor onze toekomst zijn, houdt zij voor het grootste gedeelte haar mond. Blijft het gros van onze politici en onze samenleving volkomen stil. En op het moment dat de staat Israël in de bezette gebieden een apartheidsregime uitvoert (zoals kritische Israëli’s zelf stellen in debatten in Israël), op het moment dat het moedwillig meer dan een miljoen mensen in een openlucht gevangenis opsluit om daar om de zoveel jaren zogenaamd “het gras te maaien” – waarbij intussen Palestijnen op straat in Israël door menigten achternagezeten en gelyncht worden, terwijl honderden kinderen en duizenden volwassenen zonder proces worden vastgezet… dit allemaal ten dienste van het langzame verstikken, verdrijven, en ontmenselijken van de Palestijnen en alles wat zichtbaar Palestijns is, inclusief het leven zelf – dan houden onze politieke leiders ook hun mond. Net zoals ze doen op het moment dat Netanyahu probeert om de geschiedenis te herschrijven, op het moment dat hij stelt dat de Holocaust te danken is aan de Arabieren – een van de meest verwerpelijke, antisemitische uitspraken van recente tijden – waarbij de man die zich de leider acht van joden over de hele wereld, bewust en instrumenteel, de Shoah inzet ten dienste van een barbaars politieke project; dat wil zeggen, ten dienste van het rechtvaardigen van de eindeloze, gewelddadige bezetting van Palestijnse gebieden als zijnde de natuurlijke uitkomst van wat hij noodzakelijk voorstelt als de eeuwige haat van Arabieren jegens joden. En dit allemaal op het moment dat wij, hier in Europa, de grenzen steeds strakker aan het dichttrekken zijn voor mensen die voor oorlog vluchten – die “daar” niet kunnen overleven, en “hier” – weer – zoals toen – niet binnen mogen.

Waar zijn onze politieke leiders? Hoe kunnen ze weer zwijgen, vluchten en zich afkeren? Weten ze niet hoe gemakkelijk het kan – alhoewel nooit twee keer op dezelfde manier – dat woorden worden omgezet in daden?

Laat ik ten slotte opmerken dat het moderne politieke antisemitisme hier in Europa voor het eerst duidelijke vorm kreeg in de jaren 70 van de 19de eeuw. In 1879 is het woord antisemitisme voor het eerst gebruikt om die ontwikkeling te duiden. Zestig jaar later voltrok zich Kristallnacht in het Europese land waar joden misschien wel het meest geïntegreerd en succesvol waren.
Laten we daarom zorgen dat de gewelddadige woorden en laffe stilheden van nu niet tot barbaarsheid in de toekomst leiden. Of tot het gedogen van barbaarsheid elders.

Juist daarom ben ik ontzettend trots om hier naast Haneen Zoabi en Anya Topolski te mogen staan: twee vrouwen die ons de scherven van het verleden en het heden voorhouden. Niet om onze of andermans mond te snoeren. En niet om als een scheermes door de samenleving en de levens van een ander, de ander, te snijden. Maar om ons een spiegel voor te houden in naam van de democratie. Een gebroken spiegel uit het verleden, die ons een weg kan wijzen naar een toekomst zonder die scherven, scherp als glas. Zonder die scherven die het menselijke in ons en in “hun” vernietigen. Wie “hun” ook mogen zijn.

Hierdoor maken zij het ons mogelijk om echt stil te staan: niet onderdanig aan de doden - ook al zijn ze met bruut geweld aan ons onttrokken – maar ten dienste van onze kinderen, onze buren, onze medemensen hier en nu.





Geen opmerkingen:

Een reactie posten